DE FLITSEN

 

SLOTWOORD

Een voor mij verbazingwekkende en tegelijk tot dankbaarheid stemmende tegenwerking

 

Bij de wereldgerichte mensen, die door een buitengewone mate van egoïsme worden gekenmerkt, bestaat in zaken van eigenwaan een zó grote gevoeligheid dat — als dit bewust zou gebeuren — het bijna als een wonderbaarlijk verschijnsel of als een uiting van groot genie zou kunnen worden beschouwd. En die handelwijze is de volgende:

 

Met de gevoelige maatstaf van hun eigen ego menen zij in mij een zweem van riyā-achtige eigenwaan te bespeuren — een houding die mijn eigen ziel en verstand niet eens in mij opmerken — en daarom treden zij met grote felheid op tegen een eigenwaan die ik zelf niet eens in mij voel.

 

In de afgelopen acht of negen jaar heb ik dit acht of negen keer ervaren: telkens wanneer zij mij onrechtvaardig behandelden, dacht ik na over de goddelijke beschikking en vroeg ik mij af: “Waarom heeft het goddelijke lot hen tegen mij opgezet?” Vervolgens onderzocht ik de listen van mijn eigen nefs.

 

Elke keer begreep ik dat mijn nefs óf onbewust een natuurlijke neiging tot egoïsme had vertoond, óf mij bewust had misleid. Dan zei ik tegen mijzelf: het goddelijke lot heeft, te midden van het onrecht van die onderdrukkers, in mijn geval rechtvaardigheid voltrokken.

 

Zo gebeurde het bijvoorbeeld deze zomer: mijn vrienden zetten mij op een mooi paard en wij gingen naar een plek om te wandelen. Onbewust ontwaakte in mijn ziel een verlangen naar een zekere vorm van zelfgenoegzame vreugde. Maar de wereldgerichte mensen traden zo fel tegen dat verlangen op dat zij niet alleen dat verborgen verlangen wegnamen, maar zelfs vele van mijn andere verlangens deden verdwijnen.

 

وَقُلْ رَبِّ اَعُوذُ بِكَ مِنْ هَمَزَاتِ الشَّيَاطٖينِ - وَاَعُوذُ بِكَ رَبِّ اَنْ يَحْضُرُونِ

 

اَللّٰهُمَّ يَا حَافِظُ يَاحَفِيظُ يَا خَيْرَ الْحَافِظِينَ، اِحْفَظْنِى وَاحْفَظْ رُفَقَائِى مِنْ شَرِّ النَّفْسِ وَالشَّيْطَانِ وَمِنْ شَرِّ الْجِنِّ وَاْلاِنْسَانِ وَمِنْ شَرِّ اَهْلِ الضَّلاَلَةِ وَاَهْلِ الطُّغْيَانِ اٰمِينَ اٰمِينَ اٰمِينَ

 

سُبْحَانَكَ لَا عِلْمَ لَنَٓا اِلَّا مَا عَلَّمْتَنَٓا اِنَّكَ اَنْتَ الْعَلٖيمُ الْحَكٖيمُ