DE FLITSEN

 

TWEEDE AANWIJZING

Antwoord op een kritische vraag.

 

Van de zijde van de wereldgerichte mensen wordt gezegd: “Waarom heb jij je van ons afgekeerd? Je hebt geen enkele keer een verzoek ingediend en bent stil gebleven. Toch klaag je hevig over ons en zeg je: ‘Jullie doen mij onrecht aan.’

 

Wij hebben echter onze principes; overeenkomstig de eisen van deze tijd hebben wij onze eigen regels. Jij aanvaardt de toepassing daarvan op jezelf niet. Degene die de wet toepast, is geen onderdrukker; degene die haar niet aanvaardt, komt in opstand.

 

Zo hebben wij in deze tijd van vrijheid en in dit nieuwe tijdperk van republieken het beginsel van gelijkheid aangenomen en overheersing en machtsmisbruik afgeschaft. Dat is voor ons als een soort grondwet geworden. Toch blijkt uit jouw uiterlijke houding en uit je vroegere levensgeschiedenis dat jij, nu eens als leermeester, dan weer als asceet, de algemene aandacht naar je toe trekt en buiten het gezag van de regering om een maatschappelijke invloed en positie probeert te verwerven.

 

Dat mocht misschien aanvaardbaar lijken onder de onderdrukkende overheersing van de bourgeoisie. Maar nu, met het ontwaken en de opkomst van de massa’s en met de beginselen van volledig socialisme en bolsjewisme, die voor ons nuttiger zijn, valt jouw houding ons zwaar en is zij in strijd met onze principes. Daarom heb jij geen recht om te klagen over de druk die wij op jou uitoefenen of om je van ons af te keren.

 

Antwoord: wie in het maatschappelijke leven van de mensheid een nieuwe weg inslaat, kan — indien hij niet handelt in overeenstemming met de wetten van de schepping — geen succes behalen in goede werken of vooruitgang. Zijn hele beweging wordt dan gerekend tot kwaad en vernietiging.

 

Aangezien men gedwongen is zijn handelen in overeenstemming te brengen met de wetten van de schepping, kan het beginsel van absolute gelijkheid slechts worden toegepast door de menselijke natuur te veranderen en de wezenlijke wijsheid in de schepping van de mensheid weg te nemen.

 

Naar afkomst en levenswijze behoor ik tot de gewone mensen. En naar levenshouding en denkwijze behoor ik tot degenen die de gelijkheid van rechten aanvaarden. Uit mededogen en vanuit het rechtvaardigheidsbeginsel dat voortkomt uit de islam, heb ik mij altijd verzet tegen de onderdrukking en overheersing van de zogenoemde bevoorrechte klasse.

 

Daarom sta ik met al mijn kracht aan de zijde van volledige rechtvaardigheid en ben ik tegen onrecht, machtsmisbruik, overheersing en onderdrukking.

 

De menselijke natuur en de diepe wijsheid in de schepping zijn echter in strijd met het principe van absolute gelijkheid. Want zoals de Alwijze Schepper Zijn volmaakte macht en wijsheid toont door uit een kleine hoeveelheid veel voort te brengen, door op één bladzijde vele boeken te schrijven en door met één ding vele taken te laten verrichten, zo laat Hij ook met één menselijke soort de taken van duizenden soorten vervullen.

 

Vanwege dit grote geheim heeft Allah de mens geschapen met een natuur die duizenden variaties kan voortbrengen en die evenzovele gradaties vertoont als de duizenden soorten onder de dieren.

 

In tegenstelling tot andere levende wezens zijn de vermogens en zintuigen van de mens niet begrensd; zij zijn vrijgelaten en hem is een aanleg gegeven die hem in ontelbare niveaus kan doen verkeren. Daarom is de mens – hoewel hij één soort is – als het ware tot duizenden soorten uitgegroeid; en zo is hij de kalief op aarde, de vrucht van het universum en de sultan onder de levende wezens geworden.

 

De belangrijkste bron en drijfveer van deze verscheidenheid van de mens is de ware, gelovige deugdzaamheid die door strijd en inspanning ontstaat. De deugd kan slechts worden weggenomen door de menselijke aard te veranderen, het verstand te doven, het hart te doden en de ziel te vernietigen.