De Brieven


 

DE VIERDE BRIEF

 

بِاسْمِهٖ سُبْحَانَهُ

وَ اِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهٖ

سَلَامُ اللّٰهِ وَ رَحْمَتُهُ وَ بَرَكَاتُهُ عَلَيْكُمْ وَ عَلٰٓى اِخْوَانِكُمْ لَاسِيَّمَا

 

 

Mijn eerbiedwaardige broeders,

 

Ik bevind mij nu op een hoge punt van de Dennenberg, in een boomhut op de top van een reusachtige den. Nadat ik van mensen vervreemd ben geraakt, is de wildernis mij tot een vertrouwde vriend geworden. Wanneer ik een verlangen voel om met mensen te spreken, stel ik mij jullie in gedachten voor alsof jullie bij mij zijn. Ik voer dan een innerlijk gesprek met jullie en vind daar troost in. Als er geen belemmeringen zijn, hoop ik hier een of twee maanden alleen te blijven. Als ik daarna terugkeer naar Barla, zullen we – zoals jullie wensen en iets waarnaar ik nog sterker verlang dan jullie – een mogelijkheid zoeken om weer bij elkaar te komen voor een helend gesprek met elkaar.

 

Voor nu schrijf ik hier, in deze dennenboom, enkele herinneringen op die in mij zijn opgekomen.

 

 

De eerste herinnering

 

Dit betreft gedeeltelijk een geheim dat niet openlijk verteld mag worden. Toch kan ik voor jou geen geheim bewaren. Het gaat om het volgende:

 

Zoals sommigen van de waarheidsgetrouwen bij wie de naam el-Wedūd zich manifesteert op een verheven wijze met de manifestaties van die naam via de vensters van de schepping Wādjibul-Wudjūd aanschouwen, zo is ook aan deze broeder van jullie, die slechts een arme dienaar is, slechts tijdens zijn dienst aan de Koran en in zijn taak als verkondiger van deze onuitputtelijke schat een bijzondere toestand verleend waarin de namen er-Rahīm en el-Hakīm zich manifesteren.

 

Alle verhandelingen van de Risale-i Nur zijn manifestaties van deze twee namen. InshāAllāh zal de Risale-i Nur de overvloedige goedheid belichamen waarover het volgende verheven vers spreekt:

وَمَنْ يُؤْتَ الْحِكْمَةَ فَقَدْ اُ۫وتِىَ خَيْرًا كَث۪يرًا

 

 

De tweede herinnering

 

Plotseling kwam het volgende subtiele gezegde in mij op, dat betrekking heeft op de Naqshī-orde:

دَرْ طَرِيقِ نَقْشِبَنْدِى لَازِمْ آمَدْ چَارْ تَرْكْ : تَرْكِ دُنْيَا تَرْكِ عُقْبَى تَرْكِ هَسْتِى تَرْكِ تَرْكْ

“Men dient in de Naqshibandi-orde vier zaken te verlaten: de huidige wereld, het hiernamaals, zijn eigen bestaan, en het verlaten zelf.”

 

Tegelijkertijd kwam ook het volgende in mijn gedachten:

دَرْ طَرِيقِ عَجْزِ مَنْدِى لَازِمْ آمَدْ چَارْ چِيزْ: فَقْرِ مُطْلَقْ عَجْزِ مُطْلَقْ شُكْرُ مُطْلَقْ شُوْقِ مُطْلَقْ اَي عَزِيزْ

“O mijn vriend, in de Adjzimandi-orde zijn vier zaken noodzakelijk: absolute behoeftigheid (faqr-i mutlaq), absolute machteloosheid (adjz-i mutlaq), absolute dankbaarheid (shukr-u mutlaq) en absolute geestdrift (shewk-i mutlaq).”