DE FLITSEN

Zo wordt ieder mens, op elk moment en in alles, tot dankbaarheid, aanbidding en smeekbede gebracht. Als regen aan een vaste wet onderworpen zou zijn, zou men op die wet vertrouwen en zou de deur van dankbaarheid en gebed grotendeels gesloten worden.

 

Het is bekend hoeveel voordelen de opkomst van de zon met zich meebrengt. Omdat zij echter aan een vaste en ononderbroken wet onderworpen is, bidt men niet om haar opkomst en wordt er geen bijzondere dank uitgesproken wanneer zij opkomt. En omdat de menselijke wetenschap op grond van die wet weet dat de zon morgen zal opkomen, wordt dit niet tot het ongeziene gerekend.

 

Regen daarentegen is in haar afzonderlijke gevallen niet aan een vaste wet onderworpen. Daarom zijn mensen steeds weer genoodzaakt zich met hoop en gebed tot Allah te wenden.

 

Omdat de menselijke wetenschap het exacte tijdstip van haar neerdaling niet kan vaststellen, beschouwt men haar als een bijzondere gave uit de schatkamer van barmhartigheid en betuigt men oprechte dank.

 

Vanuit dit gezichtspunt rekent het genoemde vers het tijdstip van de neerdaling van de regen tot de Mughayyebāt-i Khamse.

 

Het met instrumenten in observatoria waarnemen van de voorlopige tekenen van regen en het vaststellen van een vermoedelijk tijdstip is geen kennis van het ongeziene (de ghayb); het is slechts het waarnemen van bepaalde voortekenen op het moment dat de regen de wereld van het ongeziene verlaat en de wereld van het zichtbare nadert.

 

Zoals sommige uiterst verborgen gebeurtenissen pas worden waargenomen wanneer zij plaatsvinden of zeer nabij zijn — door een soort voorgevoel — zo is dit geen kennis van het ongeziene, maar het waarnemen van iets dat reeds bestaat of op het punt staat te gebeuren.

 

Zelf ervaar ik soms, vanwege een bepaalde gevoeligheid in mijn zenuwen, al vierentwintig uur van tevoren de komst van regen. Dat betekent dat regen bepaalde voorlopige tekenen en oorzaken heeft.

 

Die tekenen uiten zich bijvoorbeeld in een bepaalde vochtigheid, die vervolgens de komst van regen aankondigt. Op die manier kan de menselijke wetenschap, wanneer iets het ongeziene verlaat maar nog niet volledig tot het zichtbare is toegetreden, via zulke tekenen enige kennis verkrijgen.

 

Echter, het kennen van het exacte tijdstip waarop de regen neerdaalt — zolang zij nog niet het zichtbare domein is binnengetreden en de bijzondere goddelijke wil haar nog niet als concrete uiting van barmhartigheid heeft doen verschijnen — behoort uitsluitend toe aan Allāmul-Ghuyūb, de Alwetende van het Ongeziene.