DE FLITSEN

 

   

ZEVENDE SUBTILITEIT

 

Mijn eerbierwaardige broeder,

 

U vraagt om enige uitleg over wahdetul-wudjūd (de eenheid van het bestaan). Over deze kwestie staat in een Flits uit de Eenendertigste Brief een zeer krachtig en uitvoerig antwoord op de opvatting van Muhyiddin Ibn Arabī hierover. Voor nu zeggen wij slechts het volgende:

 

Het verkondigen van deze leer van wahdetul-wudjūd aan de mensen van deze tijd kan ernstige schade veroorzaken. Zoals vergelijkingen en metaforen, wanneer zij uit de handen van de geleerden in de handen van het gewone volk en uit de handen van kennis in die van onwetendheid terechtkomen, als werkelijkheid worden opgevat, zo kunnen ook verheven waarheden, zoals de leer van wahdetul-wudjūd, wanneer zij terechtkomen bij achteloze gewone mensen die zich in oorzaken verliezen, als natuur worden opgevat. Dit brengt drie belangrijke gevaren met zich mee:

 

Ten eerste: de weg van wahdetul-wudjūd ontkent als het ware het universum omwille van Allah. Maar wanneer deze leer bij het gewone volk terechtkomt — vooral bij hen wier denken door materialistische ideeën is besmet — leidt dit ertoe dat men, in plaats van het universum omwille van Allah te ontkennen, juist de goddelijkheid ontkent ten gunste van het universum en de materie.

 

Ten tweede: de weg van wahdetul-wudjūd verwerpt de heerschappij van alles behalve Allah zo krachtig dat zij het zelfstandige bestaan van al het andere ontkent en elke vorm van dualiteit opheft.

 

Hoewel de weg van wahdetul-wudjūd inhoudt dat men niet alleen het zelfstandige bestaan van de nufuus-u emmāra, maar zelfs dat van alle dingen niet erkent, leidt het in deze tijd — door de overheersing van het natuurdenken, door trots en ego die de nafs-i emmāra doen opzwellen en doordat men het Hiernamaals en de Schepper gedeeltelijk vergeet — ertoe dat het verkondigen van wahdetul-wudjūd aan mensen wier nafs-i emmāra geneigd is zich als een kleine farao te gedragen en zichzelf als een afgod te beschouwen, de nafs-i emmāra zó verwent dat zij niet meer te beteugelen is.

 

Ten derde: het kan leiden tot voorstellingen die niet passen bij de noodzakelijke bestaanswijze, heiligheid en verhevenheid van Zāt-i zul-Djelāl, Die vrij is van verandering, transformatie, deelbaarheid en plaatsgebondenheid. Zo kunnen onjuiste inbeeldingen ontstaan en valse denkbeelden worden ingeprent.

 

Inderdaad, wanneer iemand die over wahdetul-wudjūd spreekt, in zijn gedachten van de aarde tot de Plejaden kan stijgen, het universum achter zich kan laten en zijn blik op de Arsh kan richten, kan hij in een staat van geestelijke vervoering het universum als niet-bestaand beschouwen en alles rechtstreeks, door de kracht van zijn geloof, vanuit Wāhid-i Ahad zien.

 

Maar iemand die achter het universum staat, naar het universum kijkt, de oorzaken vóór zich ziet en vanuit de aarde zijn blik richt, loopt het gevaar in de oorzaken te verdrinken en in het moeras van de natuur weg te zinken.

 

Wie echter met zijn denken tot de Arsh opstijgt, kan, zoals Celāleddin-i Rūmī, zeggen:

 

“Open je oor! De woorden die je van iedereen hoort, kun je — als natuurlijke grammofoons — van Allah horen.”

 

Maar wanneer je tegen iemand die niet, zoals Celāleddin, tot zulke hoogten kan opstijgen en die de wezens tussen de aarde en de Arsh niet als spiegels ziet, zegt:

 

“Luister! Van iedereen kun je het Woord van Allah horen,” dan zal hij, als het ware geestelijk van de Arsh naar de aarde vallen en verstrikt raken in onjuiste voorstellingen die in strijd zijn met de werkelijkheid.

 

قُلِ اللّٰهُ ثُمَّ ذَرْهُمْ فِى خَوْضِهِمْ يَلْعَبُونَ
 

مَا لِلتُّرَابِ وَلِرَبِّ اْلاَرْبَابِ
 

سُبْحَانَ مَنْ تَقَدَّسَ عَنِ اْلاَشْبَاهِ ذَاتُهُ وَتَنَزَّهَتْ عَنْ مُشَابَهَةِ اْلاَمْثَالِ صِفَاتُهُ وَشَهِدَ عَلٰى رُبوُبِيَّتِهِ اٰياَتُهُ جَلَّ جَلاَلُهُ وَلاَ اِلٰهَ اِلاَّ هُوَ