DE FLITSEN

Het Tweede Punt

 

بِسْمِ اللّٰهِ الرَّحْمٰنِ الرَّحٖيمِ

وَمَا خَلَقْتُ الْجِنَّ وَاْلاِنْسَ اِلاَّ لِيَعْبُدُونِ

مَاۤ اُرِيدُ مِنْهُمْ مِنْ رِزْقٍ وَمَاۤ اُرِيدُ اَنْ يُطْعِمُونِ

  اِنَّ اللّٰهَ هُوَ الرَّزَّاقُ ذُو الْقُوَّةِ الْمَتِينُ

 

Omdat volgens de uitleg van vele tafsīrs de letterlijke betekenis van dit edele vers de verheven wonderbaarlijke welsprekendheid (iʿdjāz) van de Koran niet duidelijk toont, bleef het lange tijd in mijn gedachten hangen. Wij zullen hier kort drie aspecten uiteenzetten van zijn zeer mooie en verheven betekenissen, die uit de zegenrijke overvloed van de Koran voortkomen.

 

Eerste aspect


Soms schrijft Allah, ter ere en verheffing van Zijn Boodschapper, bepaalde zaken die eigenlijk tot de Boodschapper kunnen behoren aan Zichzelf toe.

 

Zo moet de betekenis van het vers — “Ik heb jullie geschapen om Mij te aanbidden, niet om Mij van voedsel te voorzien” — worden begrepen als: “Mijn Boodschapper vraagt van jullie geen beloning, loon of vergoeding en ook niet dat jullie hem van voedsel voorzien voor de taak van het profeetschap en voor de dienst van het verkondigen van de aanbidding.”

 

Dit heeft dus betrekking op het voeden en het voorzien in het levensonderhoud van de Eerbiedwaardige Boodschapper (saw). Anders zou het slechts het meedelen van een overduidelijk bekende waarheid zijn en niet passen bij de wonderbaarlijke welsprekendheid van de Koran.

 

Tweede aspect


Omdat de mens sterk gericht is op het verkrijgen van levensonderhoud, kan hij het zoeken naar levensonderhoud als excuus gebruiken en denken dat het hem van aanbidding vrijstelt. Daarom zegt dit vers:

 

“Jullie zijn geschapen voor aanbidding; het doel van jullie schepping is aanbidding.
Het werken voor het levensonderhoud is, wanneer het volgens het goddelijke bevel gebeurt, zelf ook een vorm van aanbidding. Jullie zijn niet geschapen om voor Mijn schepselen — van wie Ik het levensonderhoud op Mij heb genomen, zoals jullie eigen zielen, jullie gezinnen en jullie dieren — hun levensonderhoud te verzorgen alsof jullie daarmee Mij voedsel zouden brengen. Want Ik ben de Voorziener (ar-Razzāq). Ik geef het levensonderhoud aan Mijn dienaren die aan jullie zijn toevertrouwd. Maak daarom het zoeken naar levensonderhoud niet tot een excuus om de aanbidding te verwaarlozen.”

 

Als deze betekenis niet bedoeld zou zijn, zou dit slechts het meedelen van een bekende waarheid zijn; want het is overduidelijk dat het onmogelijk is Allah van voedsel en levensonderhoud te voorzien.

 

In de wetenschap van de welsprekendheid (balāgha) bestaat een bekende regel: wanneer de letterlijke betekenis van een uitspraak al duidelijk en bekend is, is niet die betekenis bedoeld, maar een daarmee samenhangende of impliciete betekenis.

 

Bijvoorbeeld, als je tegen iemand zegt: “Jij bent een hafiz”, dan vertel je hem iets wat hij zelf al weet. De werkelijke bedoeling is dan: “Ik weet dat jij een hafiz bent.” Omdat hij niet weet dat jij dat weet, zeg je het.

 

Op basis van deze regel wordt de betekenis van het vers — waarin als een retorische zinspeling wordt aangegeven dat het onmogelijk is Allah van voedsel en levensonderhoud te voorzien — als volgt begrepen:

 

“Jullie zijn niet geschapen om Mijn schepselen, voor wie Ik het levensonderhoud heb gegarandeerd, van voedsel te voorzien. Jullie voornaamste taak is aanbidding. En het zoeken naar levensonderhoud volgens Mijn bevelen is zelf ook een vorm van aanbidding.”

 

Derde aspect


Zoals de letterlijke betekenis van

لَمْ يَلِدْ وَلَمْ يُولَدْ

in Soera al-Ikhlās, al duidelijk en bekend is, verwijst het naar een daarmee samenhangende of impliciete betekenis. De bedoeling daarvan is namelijk dat wezens die ouders of kinderen hebben geen god kunnen zijn, en zo wordt de goddelijkheid van Isa (as), Uzayr (as), de engelen, de sterren en andere valse godheden ontkend. Daarom drukken de woorden

لَمْ يَلِدْ وَلَمْ يُولَدْ

duidelijk de betekenis uit dat Allah geen begin of einde heeft.

 

Op dezelfde manier duidt de betekenis van het vers:

 

“De Heer die jullie aanbidden, de Majestueuze Voorziener, vraagt geen voedsel van jullie en jullie zijn niet geschapen om Hem levensonderhoud te verschaffen,” op het volgende:

 

Wezens die levensonderhoud nodig hebben of gevoed worden, kunnen geen god zijn en ook niet degene die aanbeden wordt; want wezens die afhankelijk zijn van levensonderhoud en voedsel zijn niet waardig om aanbeden te worden.